Motketel Oer

Beek vol roest.

Niet al het water in de beken en sprengen is even bruikbaar. De rode beek dankt zijn naam aan de rood-bruine roestkleur. Die kleur ontstaat door de aanwezigheid van ijzer in de grond. Dit water werd dan ook niet gebruikt bij de productie van papier of het wassen van kleding. 

IJzeroer of rodolm zoals ze hier zeggen is een soort ijzererts dat bestaat uit grotere, verharde ijzeroxide-ijzerhydroxide-afzettingen die al vele eeuwen geleden in de Lage Landen van dicht onder het maaiveld werden gedolven als grondstof voor de ijzerproductie. 

In de middeleeuwen werd er vaak ijzer gewonnen uit zogenaamde ‘klapperstenen’. Klapperstenen bestaan ook uit ijzeroer; maar hier is het ijzerhydroxide afgezet rondom kleibolletjes die zich her en der in het zand bevinden. Het ijzeroer is hier de omhulling van de klei. De klei verschrompelt door uitdroging, het ijzeroer wordt dan een ‘klappersteen’. Bij het schudden hoort men het kleibolletje in de klont ijzeroer rammelen, vandaar de naam.

Voor de winning werden sleuven gegraven door delvers, vaak families op zoek naar ‘klappersteen-aders’. Dergelijke sleuven zijn nog steeds zichtbaar op de Veluwe in Hoenderloo (Park Berg en Bos), bij Paleis Het Loo en bij Hoog Soeren op de Asselsche Heide. Er zijn in totaal 82 kilometer van deze handgegraven sleuven bekend. Tussen 700 en 1100 moeten hier tonnen ijzer zijn geproduceerd, waarvan het grootste deel voor de export bedoeld was. De afvalbergen (ijzerslakken) zijn her en der nog te vinden, maar de aftapovens, de ijzerfabriekjes, niet meer. Om een kilo bruikbaar ijzer te verkrijgen, was dertien kilo ijzererts en honderddertig kilo houtskool (gewonnen uit 760 kilo eikenhout) nodig. Het vuur in de ovens werd aangejaagd door met de voet aangedreven blaasbalgen. Door concurrentie uit het buitenland kwam rond 1100 een eind aan deze kwalitatief mindere ijzerproductie.

Motketel
Cannenburgher-molen